In Nederland overlijden jaarlijks ongeveer 170.000 mensen, volgens de Rijksoverheid, maar slechts bij een klein deel van hen wordt een obductie uitgevoerd. Klinisch en forensisch patholoog Frank van de Goot stelt in een interview bij Lighthouse TV dat Nederland daardoor belangrijke medische informatie mist. Dit artikel weegt die kritiek: wat is aantoonbaar, wat is aannemelijk en wat moet nog worden onderzocht? De kern: niet ieder overlijden hoeft onderzocht te worden, maar we moeten wel kunnen beoordelen wanneer nader onderzoek nodig is.
Ook gezocht als: doodsoorzaak onderzoek, obductie Nederland, Frank van de Goot obductie, autopsie na overlijden, sectie na overlijden, lijkschouw, forensisch patholoog, toxicologisch onderzoek, doodsoorzaak vaststellen, natuurlijke dood, niet-natuurlijke dood, onverwacht overlijden onderzoek, doodsoorzakenregistratie.
Moet u een uitvaart regelen? Bel 085-0048099, dag en nacht: u wordt automatisch doorverbonden met het team van onze vaste uitvaartpartner. Vaste samenstellingen zonder apart basistarief: crematie vanaf €1.750, begrafenis vanaf €3.900 inclusief algemeen graf. Een crematie zelf regelen kan vanaf circa €800; losse diensten, zoals een complete opbaring, kunnen er altijd bij.
- Weinig obducties: bij een klein deel van de overlijdens kijkt een patholoog mee; de rest berust op de lijkschouw en de medische voorgeschiedenis.
- Tunnelvisie: onderzoek na overlijden kan medisch waardevol zijn, ook als er geen misdrijf in het spel is.
- Toxicologie: een stof aantreffen in het lichaam is nog geen doodsoorzaak.
- Voorstel: bij een onverwacht overlijden onder de veertig standaard nader onderzoek aanbieden aan de nabestaanden.
- Nieuwe wet: meer ruimte voor politie en forensisch arts, maar medische vragen buiten strafzaken blijven open.
We weten wanneer iemand overlijdt, maar weten we ook waarom?
Bij een onverwacht overlijden zonder aanvullend onderzoek is de doodsoorzaak vaak een goed onderbouwde inschatting, maar geen diagnose die door onderzoek is bevestigd.
Hoeveel weten we werkelijk over de doodsoorzaak? Onderzoekt Nederland te weinig, of weten we gewoon niet genoeg? En waarom wordt onderzoek naar een overlijden zo vaak pas interessant wanneer er mogelijk een misdrijf in het spel is? Dit is een kritisch onderzoek naar forensische geneeskunde, gemiste diagnoses, toxicologisch onderzoek, oversterfte en de lessen die we uit de coronaperiode moeten trekken. De aanleiding is een interview bij Lighthouse TV.
Stel dat iemand plotseling thuis overlijdt. De persoon leek misschien gezond, had geen bekende ernstige aandoening en er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor een ongeval. Een arts komt kijken, onderzoekt het lichaam en beoordeelt de omstandigheden. Vervolgens wordt vastgesteld of er sprake is van een natuurlijke dood.
Maar wat als die persoon een onontdekte hartafwijking had? Wat als er sprake was van een longembolie? Wat als een combinatie van geneesmiddelen een rol speelde? Of wat als er een giftige stof in het lichaam aanwezig was? Zonder aanvullend onderzoek zijn niet al die mogelijkheden uit te sluiten.
Dat betekent niet dat de arts automatisch een verkeerde conclusie trekt. Een ervaren arts kan op basis van de medische voorgeschiedenis, de omstandigheden en de lijkschouw vaak een goed onderbouwde inschatting maken. Maar een inschatting is niet hetzelfde als een diagnose die door aanvullend onderzoek is bevestigd. Wat de arts bij de schouw precies doet, leest u bij de schouwarts.
Precies daarover gaat het interview bij Lighthouse TV met Frank van de Goot, klinisch en forensisch patholoog. Hij stelt dat Nederland onvoldoende onderzoek doet naar onverwachte overlijdens en daardoor mogelijk belangrijke medische informatie mist. Zijn kritiek verdient serieuze aandacht. Tegelijkertijd moeten we onderscheid maken tussen wat aantoonbaar is, wat aannemelijk is en wat nog onderzocht moet worden.
Want als we willen weten of Nederland werkelijk tekortschiet, moeten we verder kijken dan alleen het aantal uitgevoerde obducties.
Bron: Lighthouse TV, ‘We missen massaal doodsoorzaken!’ Patholoog Frank van de Goot slaat alarm. Bekijk op YouTube
Hoeveel overlijdens worden er eigenlijk nader onderzocht?
Een lijkschouw door een arts en een volledige obductie door een patholoog zijn verschillende onderzoeken, en hun cijfers zijn niet rechtstreeks met elkaar te vergelijken.
In Nederland overlijden jaarlijks ongeveer 170.000 mensen, een aantal dat de Rijksoverheid ook noemt in de berichtgeving over de nieuwe wetgeving voor de bestemming van lichamen van overledenen. Volgens de geïnterviewde wordt slechts een klein percentage van alle overledenen nader onderzocht door een patholoog. Hij wijst erop dat het aantal obducties in de loop der jaren sterk is afgenomen.
Dat roept een belangrijke vraag op: als er weinig nader onderzoek plaatsvindt, hoe weten we dan of de doodsoorzaken die worden geregistreerd voldoende betrouwbaar zijn? Om die vraag goed te beantwoorden, moeten we eerst een onderscheid maken tussen verschillende vormen van onderzoek.
Een arts verricht na een overlijden een lijkschouw. Wanneer er twijfel bestaat over een natuurlijke dood of er aanwijzingen zijn voor een niet-natuurlijk overlijden, wordt een forensisch arts ingeschakeld. Een obductie, ook wel sectie of autopsie genoemd, is een uitgebreider onderzoek van het lichaam. Daarbij kunnen organen, weefsels en lichaamsvloeistoffen worden onderzocht.
Een klinische obductie kan medische vragen beantwoorden. Een gerechtelijke sectie kan worden ingezet in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Deze onderzoeken hebben verschillende doelen en worden niet bij dezelfde omstandigheden uitgevoerd; het verschil staat uitgelegd bij obductie en gerechtelijke sectie. De cijfers over het aantal lijkschouwen zijn daarom niet rechtstreeks vergelijkbaar met de cijfers over het aantal obducties.
In de jaarcijfers van de GGD en FARR, afkomstig uit het Registratienetwerk Forensische Geneeskunde, staan over één jaar 23.451 lijkschouwen door forensisch artsen geregistreerd, inclusief lijkschouwen na euthanasie. Dat zijn dus geen 23.451 volledige obducties, maar onderzoeken in het kader van de lijkschouw.
Het probleem is niet simpelweg dat er weinig obducties plaatsvinden. Het probleem is dat we moeten weten of we de juiste overlijdens selecteren voor nader onderzoek. Als een overlijden overtuigend door een bekende ziekte wordt verklaard, is een volledige obductie niet altijd nodig. Maar als de omstandigheden onduidelijk zijn, moet de vraag worden gesteld of de huidige procedures voldoende mogelijkheden bieden om de werkelijke doodsoorzaak te achterhalen.
Daarvoor zijn landelijke gegevens nodig over de opbrengst van obducties, de onzekerheid bij geregistreerde doodsoorzaken en de omstandigheden waarin aanvullend onderzoek achterwege blijft. Zonder die gegevens blijft een belangrijk deel van de discussie onbeantwoord. Welke doodsoorzaken in Nederland het meest voorkomen, leest u bij doodsoorzaken in Nederland.
Tunnelvisie: waarom denken we bij forensisch onderzoek meteen aan misdrijven?
Een overlijden kan buiten elke strafzaak vallen en toch medisch belangrijke vragen oproepen, bijvoorbeeld over een onontdekte of erfelijke aandoening.
Een van de belangrijkste punten uit het interview is de kritiek op tunnelvisie. Wanneer iemand het heeft over forensisch onderzoek na een overlijden, denken veel mensen direct aan moord, doodslag of een ander strafbaar feit. Maar onderzoek na overlijden kan veel meer opleveren dan bewijs voor een strafzaak.
Het kan bijvoorbeeld helpen om vast te stellen of iemand een onontdekte ziekte had, of geneesmiddelen een rol speelden en of een bepaalde aandoening mogelijk ook bij andere familieleden voorkomt.
Toch zijn de verschillende vormen van onderzoek in Nederland nauw met elkaar verbonden. Bij een vermoeden van een niet-natuurlijk overlijden wordt een forensisch arts ingeschakeld. Wanneer er aanwijzingen zijn voor een mogelijk strafbaar feit, kan de officier van justitie besluiten nader onderzoek te laten verrichten. Bij een overlijden dat als natuurlijk wordt beoordeeld, kan een klinische obductie in overleg met de nabestaanden worden overwogen.
De geïnterviewde vindt dat het systeem te sterk gericht is op de vraag of er een strafrechtelijk vervolg mogelijk is. Zijn kritiek is dat we daardoor onvoldoende aandacht besteden aan overlijdens waarbij geen misdrijf wordt vermoed, maar waarbij de medische oorzaak toch niet helemaal duidelijk is.
Dat is een belangrijk onderscheid. Een overlijden kan niet-strafbaar zijn en tegelijkertijd medisch interessant blijven. Een onontdekte hartafwijking is bijvoorbeeld niet noodzakelijk relevant voor een strafzaak, maar kan wel van groot belang zijn voor de familie van de overledene. Ook een mogelijke geneesmiddeleninteractie kan waardevolle informatie opleveren, zelfs wanneer niemand iets verkeerd heeft gedaan.
Onderzoek naar de doodsoorzaak zou daarom niet uitsluitend moeten worden beoordeeld op de vraag of het een strafzaak kan opleveren. Dat betekent niet dat ieder overlijden uitgebreid onderzocht moet worden. Wel betekent het dat er duidelijke criteria moeten bestaan voor de gevallen waarin nader onderzoek medisch of maatschappelijk zinvol kan zijn.
Een positieve drugstest betekent niet automatisch dat iemand aan drugs is overleden
Het aantreffen van een stof bewijst nog niet dat die stof de dood heeft veroorzaakt; concentratie, omstandigheden en voorgeschiedenis bepalen wat een bevinding betekent.
Tijdens het interview bespreekt de patholoog ook het belang van toxicologisch onderzoek. Dat onderzoek kan vaststellen welke stoffen in het lichaam aanwezig zijn en, afhankelijk van het onderzoek, in welke concentraties. Denk aan alcohol, illegale drugs, geneesmiddelen en combinaties van verschillende middelen.
De geïnterviewde wijst erop dat het aantreffen van een stof niet automatisch betekent dat die stof de dood heeft veroorzaakt. Dat is wetenschappelijk gezien een belangrijk punt. Als bij een overleden persoon cocaïne wordt aangetroffen, bewijst dat op zichzelf niet dat cocaïne de doodsoorzaak was. De betekenis van zo'n bevinding hangt onder meer af van de concentratie, de omstandigheden van het overlijden, de medische voorgeschiedenis en eventuele andere aangetroffen stoffen.
Hetzelfde geldt voor geneesmiddelen. Een medicijn kan volgens voorschrift zijn gebruikt, maar in combinatie met een ander middel toch een risico vormen. Ook kan een geneesmiddel een bestaande aandoening beïnvloeden.
Omgekeerd betekent het ontbreken van toxicologisch onderzoek niet dat er daadwerkelijk sprake was van een vergiftiging. Daar zit precies de uitdaging: zonder passend onderzoek kunnen sommige oorzaken moeilijker worden vastgesteld, maar zonder concrete aanwijzingen mogen we evenmin aannemen dat ze aanwezig waren.
De vraag is daarom of toxicologisch onderzoek voldoende wordt ingezet wanneer de omstandigheden van een overlijden daar aanleiding toe geven. Bij een onverwacht overlijden zonder duidelijke verklaring kan dat relevant zijn. Hetzelfde geldt wanneer er aanwijzingen zijn voor drugsgebruik, medicatieproblemen of een mogelijke vergiftiging.
Niet ieder lichaam hoeft op iedere denkbare stof te worden getest. Dat zou kostbaar zijn en kan bovendien resultaten opleveren waarvan de betekenis moeilijk vast te stellen is. Maar er moet wel een systeem zijn waarin relevante aanwijzingen niet over het hoofd worden gezien. De geïnterviewde vraagt zich af of Nederland daarin voldoende investeert.
Om die kritiek te beoordelen, zouden we moeten weten hoe vaak toxicologisch onderzoek wordt aangevraagd, welke criteria daarbij worden gebruikt en hoe vaak aanvullende tests daadwerkelijk een andere verklaring voor het overlijden opleveren. Zonder zulke gegevens kunnen we niet vaststellen hoe groot het probleem is.
Een verkeersongeluk kan het einde zijn van een medisch probleem dat al eerder begon
Bij een dodelijk ongeval is niet automatisch duidelijk wat eraan voorafging: een medische aandoening, medicatie of een gewone verkeersfout.
Een opvallend voorbeeld uit het interview betreft mensen die mogelijk door een acute medische aandoening de controle over hun auto verloren. De patholoog noemt situaties waarin een longembolie voorafgaand aan een verkeersongeval een rol zou kunnen hebben gespeeld.
Het onderscheid is belangrijk. Wanneer een auto tegen een boom rijdt en de bestuurder overlijdt, is duidelijk dat er een ongeval heeft plaatsgevonden. Maar daarmee is nog niet automatisch duidelijk wat er precies aan het ongeval voorafging.
Er zijn verschillende mogelijkheden. Misschien verloor de bestuurder door een medische aandoening plotseling het bewustzijn. Misschien speelde medicatie een rol. Misschien was er sprake van een gewone verkeersfout. Of het ongeval veroorzaakte het dodelijke letsel zonder dat er vooraf een medisch probleem bestond. Om tussen die mogelijkheden onderscheid te maken, kan aanvullend onderzoek nodig zijn.
De voorbeelden uit het interview zijn niet voorzien van dossiers waarmee de precieze doodsoorzaken onafhankelijk kunnen worden gecontroleerd. Ze bewijzen dus niet dat verkeersongevallen structureel verkeerd worden beoordeeld. Maar ze illustreren wel een relevante onderzoeksvraag: onderzoeken we bij verkeersdoden voldoende of een medische aandoening of een combinatie van middelen aan het ongeval voorafging?
Dat is niet alleen belangrijk voor de individuele nabestaanden. Wanneer meerdere vergelijkbare gevallen worden vastgesteld, kan dat ook informatie opleveren over verkeersveiligheid, medicijngebruik en medische risicofactoren. De registratie van een verkeersongeval en het onderzoek naar de medische omstandigheden hoeven elkaar daarbij niet uit te sluiten. Ze kunnen elkaar juist aanvullen. Wat er na een dodelijk ongeval gebeurt, leest u bij overlijden door een ongeval.
Waarom niet standaard onderzoek aanbieden bij onverwacht overlijden onder de veertig?
Het voorstel uit het interview is een aanbod aan nabestaanden, geen verplichting, en de leeftijdsgrens van veertig jaar is een voorstel, geen bewezen grens.
De geïnterviewde doet een concreet voorstel: bied bij iedereen die jonger dan veertig jaar overlijdt standaard nader onderzoek aan de nabestaanden aan. Hij benadrukt dat dit niet betekent dat iedereen verplicht onderzocht moet worden. Het gaat om een aanbod. Dat onderscheid is essentieel.
Een onverwacht overlijden op jonge leeftijd kan vragen oproepen over erfelijke hartziekten, onontdekte aandoeningen, vergiftigingen en andere mogelijke oorzaken. Soms kan onderzoek bovendien informatie opleveren die voor andere familieleden van belang is. Meer over dit verlies leest u bij plotseling overlijden van jonge mensen.
Stel dat een jonge persoon plotseling overlijdt en aanvullend onderzoek een erfelijke hartafwijking aan het licht brengt. Dan kan die bevinding aanleiding zijn om familieleden gericht te onderzoeken. Dat betekent niet dat een obductie altijd een erfelijke aandoening zal aantonen. Wel kan nader onderzoek in bepaalde gevallen gevolgen hebben die verder reiken dan het overlijden zelf.
De geïnterviewde stelt dat een standaardaanbod de drempel voor onderzoek kan verlagen. Op dit moment kunnen nabestaanden immers niet altijd weten welke mogelijkheden bestaan of welke vragen een obductie zou kunnen beantwoorden. Een gesprek met een deskundige kan die informatie toegankelijker maken.
Maar ook dit voorstel moet zorgvuldig worden uitgewerkt. Welke onderzoeken worden aangeboden? Wie beoordeelt of er medische aanwijzingen zijn voor verder onderzoek? Wie betaalt de kosten? En hoe wordt omgegaan met de wensen van nabestaanden?
Daarnaast is de leeftijdsgrens van veertig jaar een voorstel van de geïnterviewde, geen bewezen optimale grens. Ook mensen boven die leeftijd kunnen onverwacht overlijden aan een onontdekte aandoening of een andere oorzaak die nader onderzoek verdient. Een verstandig beleid zou daarom niet alleen naar leeftijd kijken, maar ook naar de omstandigheden van het overlijden.
Een standaardaanbod bij bepaalde categorieën overlijdens kan een goed begin zijn, mits duidelijk wordt gemaakt wat het onderzoek inhoudt en welke vragen ermee kunnen worden beantwoord.
Waarom wordt er niet vaker onderzocht? Geld, tijd en capaciteit
Meer obducties vragen om genoeg pathologen, forensisch artsen en laboratoriumcapaciteit, en om een duidelijke afspraak over wie de kosten draagt.
Een volledige obductie kost tijd en geld. De patholoog beschrijft in het interview dat een onderzoek meerdere uren aan de sectietafel kan vergen. Daarna kunnen aanvullende onderzoeken en verslaglegging nodig zijn. Het is dus niet voldoende om alleen meer obducties aan te vragen. Er moeten ook genoeg deskundigen beschikbaar zijn om ze zorgvuldig uit te voeren.
De geïnterviewde wijst op een tekort aan pathologen en op de beperkte aandacht voor postmortaal onderzoek binnen de medische opleiding. Om dat probleem goed te begrijpen, moeten we verschillende beroepsgroepen onderscheiden. Een arts die een lijkschouw verricht, heeft andere taken en bevoegdheden dan een patholoog die een obductie uitvoert. Ook forensisch artsen hebben een eigen opleiding en verantwoordelijkheid.
Meer onderzoek vraagt daarom om een samenhangende aanpak. Er moeten voldoende pathologen zijn, forensisch artsen moeten over duidelijke procedures beschikken en laboratoria moeten aanvullend onderzoek kunnen uitvoeren. Daarnaast moet worden bepaald wie de kosten draagt.
Wanneer een onderzoek geen strafzaak oplevert, betekent dat niet dat het waardeloos is. Een obductie kan informatie opleveren over medische diagnoses, mogelijke erfelijke aandoeningen en gezondheidsrisico's. Daar staat tegenover dat niet iedere obductie relevante nieuwe informatie oplevert. Het is daarom belangrijk om ook de kosten en opbrengsten van verschillende vormen van onderzoek te evalueren.
De centrale vraag is niet of ieder onderzoek zichzelf financieel terugverdient. De vraag is of we voldoende investeren in onderzoek dat belangrijke onzekerheden kan wegnemen en mogelijk ook andere sterfgevallen kan helpen voorkomen. Dat vraagt om een bredere afweging dan alleen de kosten van één onderzoek.
Corona: werden er te weinig obducties uitgevoerd?
De richtlijnen van de WHO uit de coronaperiode waren geen verbod op obducties maar veiligheidsregels; of Nederland genoeg heeft onderzocht, vraagt om een evaluatie met Nederlandse gegevens.
In het interview komt de coronaperiode nadrukkelijk ter sprake. De geïnterviewde vraagt zich af waarom er niet meer onderzoek werd gedaan naar de doodsoorzaken van overleden patiënten. Hij verwijst daarbij naar de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dit onderwerp verdient een zorgvuldige beoordeling, omdat er gemakkelijk verkeerde conclusies uit kunnen worden getrokken.
Aan het begin van de coronapandemie publiceerde de WHO richtlijnen voor de veilige omgang met lichamen van overleden patiënten met vermoedelijke of bevestigde COVID-19. Daarin stonden onder meer aanbevelingen over beschermingsmiddelen, hygiëne en veiligheidsmaatregelen bij het uitvoeren van een obductie.
De richtlijnen vormden geen algemeen verbod op autopsieën. Ze beschreven hoe met de risico's moest worden omgegaan. De WHO benadrukte bovendien dat bij beslissingen rekening moest worden gehouden met de noodzaak om de doodsoorzaak te onderzoeken. Dat betekent niet dat de Nederlandse praktijk daarmee automatisch optimaal was. De relevante vragen zijn:
- Aantal: hoeveel obducties werden in Nederland uitgevoerd tijdens de coronaperiode?
- Vergelijking: hoe verhield dat aantal zich tot eerdere jaren?
- Veiligheid: welke veiligheidsmaatregelen waren beschikbaar?
- Niet uitgevoerd: welke onderzoeken werden om medische of praktische redenen niet uitgevoerd?
- Opbrengst: welke kennis leverde onderzoek van overleden COVID-19-patiënten op?
Om die vragen te beantwoorden, zijn Nederlandse gegevens en wetenschappelijke publicaties nodig. Het interview alleen biedt onvoldoende bewijs om vast te stellen dat Nederland bewust heeft nagelaten coronapatiënten te onderzoeken. Evenmin is het gerechtvaardigd om zonder aanvullende gegevens te concluderen dat de coronaperiode geen tekortkomingen kende.
De juiste aanpak is om de besluiten en de beschikbare onderzoeksgegevens achteraf kritisch te evalueren. Dat is geen beschuldiging, maar een normale manier om te leren van een uitzonderlijke periode. Als nader onderzoek naar overleden patiënten meer inzicht had kunnen geven in bepaalde ziekteprocessen, is het relevant om te beoordelen of die mogelijkheden voldoende zijn benut.
Oversterfte: een statistiek is nog geen verklaring
Oversterfte zegt hoeveel meer mensen overlijden dan verwacht, maar niet waaraan; daarvoor zijn betrouwbare medische gegevens nodig.
De patholoog is ook kritisch over de manier waarop oversterfte wordt besproken. Zijn punt is dat het aantal extra overlijdens op zichzelf niet vertelt waaraan die mensen zijn overleden. Dat is juist.
Oversterfte is een statistische maat. Het betekent dat er in een bepaalde periode meer mensen overlijden dan op basis van een gekozen referentie wordt verwacht. Het cijfer zelf verklaart niet waarom dat gebeurt. Mogelijke oorzaken zijn onder meer infectieziekten, hitte, veranderingen in de bevolkingssamenstelling, bestaande aandoeningen en veranderingen in de zorg. Ook kunnen verschillende factoren tegelijkertijd een rol spelen. Meer achtergrond staat bij oversterfte in Nederland.
Om de oorzaken te onderzoeken, zijn gegevens over geregistreerde doodsoorzaken, medische omstandigheden en andere relevante kenmerken nodig. Maar hier is een belangrijke nuance noodzakelijk. Het is niet juist om te stellen dat Nederland helemaal niet weet waaraan mensen tijdens perioden van oversterfte zijn overleden. Er worden wel degelijk doodsoorzaken geregistreerd en statistisch onderzocht.
De vraag is in hoeverre die gegevens voldoende inzicht geven in de oorzaken van de oversterfte en welke onzekerheden blijven bestaan. Ook moeten we onderscheid maken tussen een doodsoorzaak die door een arts is geregistreerd en een oorzaak die door aanvullend onderzoek is bevestigd. Dat laatste gebeurt niet bij ieder overlijden. Daarom is het zinvol om te onderzoeken hoeveel onzekerheid er bestaat in de gegevens die voor analyses van oversterfte worden gebruikt.
Oversterfte is een signaal dat om uitleg vraagt. Het is niet op zichzelf een bewijs voor een bepaalde oorzaak. Wie wil begrijpen waarom meer mensen overlijden, moet de statistische analyse combineren met betrouwbare medische gegevens. En als die gegevens onvoldoende zijn, moet worden onderzocht hoe ze verbeterd kunnen worden.
Natuurlijke en niet-natuurlijke dood: zijn de huidige termen duidelijk genoeg?
Een niet-natuurlijke dood is geen synoniem voor een misdrijf, en een natuurlijke dood betekent niet dat de precieze medische oorzaak vaststaat.
Een ander onderwerp uit het interview is de indeling in natuurlijke en niet-natuurlijke dood. De patholoog vindt deze termen problematisch, omdat een niet-natuurlijke dood in de publieke beeldvorming al snel wordt geassocieerd met een misdrijf.
Juridisch is dat niet juist. Een niet-natuurlijk overlijden kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een ongeval of zelfdoding. Het betekent niet automatisch dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd. Een natuurlijke dood is evenmin een garantie dat de precieze medische oorzaak met absolute zekerheid is vastgesteld. De aard van het overlijden en de onderliggende doodsoorzaak zijn twee verschillende zaken; zie ook klinisch dood, hersendood en natuurlijke dood.
De geïnterviewde vraagt zich af hoe betrouwbaar de classificatie kan zijn wanneer de doodsoorzaak niet voldoende is onderzocht. Dat is een relevante vraag, maar er moet onderscheid worden gemaakt tussen de terminologie en de kwaliteit van de procedure. Het vervangen van de woorden natuurlijke en niet-natuurlijke dood zou niet automatisch betekenen dat artsen vaker nader onderzoek uitvoeren. Daarvoor zijn ook duidelijke criteria, voldoende deskundigheid en passende financiering nodig.
Wel is het zinvol om te onderzoeken of de huidige termen in de praktijk tot verwarring leiden en of ze voldoende ruimte laten om onzekerheid over de doodsoorzaak vast te leggen. De belangrijkste verbetering zou zijn dat een onduidelijke doodsoorzaak niet onbedoeld als een volledig opgehelderde zaak wordt behandeld.
De nieuwe wetgeving: wat betekent dit voor onderzoek na overlijden?
Het wetsvoorstel voor de Wet bestemming lichamen overledenen geeft politie en forensisch arts meer ruimte voor onderzoek, maar richt zich vooral op het vaststellen van de omstandigheden en het opsporen van misdrijven.
De Rijksoverheid heeft bekendgemaakt dat het wetsvoorstel voor de nieuwe Wet bestemming lichamen overledenen naar de Raad van State is gestuurd. Het voorstel moet de bestaande Wet op de lijkbezorging vervangen en bevat onder meer veranderingen in de mogelijkheden om het lichaam van een overledene te bestemmen. Ook bevat het maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van onderzoek naar de omstandigheden van een overlijden.
Zo wil het wetsvoorstel de politie meer mogelijkheden geven om onderzoek te verrichten aan het lichaam en op de plaats waar het lichaam is aangetroffen. Ook krijgt een forensisch arts meer ruimte voor nader onderzoek wanneer deze niet overtuigd is van een natuurlijke dood. Dat is relevant voor de discussie uit het interview. Het laat zien dat de wetgever aandacht heeft voor de vraag of overlijdens voldoende worden onderzocht.
Tegelijkertijd moeten we beseffen dat de voorgestelde maatregelen niet automatisch alle door de patholoog genoemde problemen oplossen. Het voorstel richt zich onder meer op het vaststellen van de omstandigheden van het overlijden en het verkleinen van de kans dat misdrijven onopgemerkt blijven. De bredere vraag blijft of er ook voldoende mogelijkheden zijn voor medisch onderzoek wanneer geen strafrechtelijke verdenking bestaat, maar de doodsoorzaak onduidelijk blijft.
Dat is een ander vraagstuk. Een systeem kan goed zijn ingericht om mogelijke misdrijven te onderzoeken en tegelijkertijd ruimte laten voor verbetering van klinisch en toxicologisch onderzoek. Daarom moet bij de verdere behandeling van de wet duidelijk worden welke mogelijkheden er zijn om ook medische vragen na overlijden te beantwoorden.
En hoe zit het met resomeren? Resomeren is een methode waarbij een lichaam door middel van alkalische hydrolyse wordt ontbonden. In het interview wordt de vraag gesteld of die methode gevolgen kan hebben voor mogelijk bewijs dat pas later nodig blijkt te zijn. Dat is een relevante vraag, omdat sommige vormen van onderzoek afhankelijk zijn van het tijdig veiligstellen van geschikte monsters.
Het is echter te kort door de bocht om te stellen dat resomeren automatisch ieder mogelijk bewijs vernietigt. De gevolgen zijn afhankelijk van het soort onderzoek en van de vraag of relevante monsters vooraf kunnen worden afgenomen en bewaard. De wetgeving moet daarom duidelijk regelen wanneer handelingen aan een lichaam mogen plaatsvinden en hoe wordt voorkomen dat noodzakelijk onderzoek onmogelijk wordt gemaakt.
Volgens de Rijksoverheid is resomeren in Nederland nog niet toegestaan zolang het wetsvoorstel in behandeling is; meer daarover leest u bij resomeren. Het is verstandig dat de gevolgen voor onderzoek naar de doodsoorzaak expliciet worden meegenomen in de verdere uitwerking van de wet.
Wat zou er concreet moeten veranderen?
De kritiek uit het interview is het bruikbaarst als toetsbare en uitvoerbare voorstellen, van een standaardgesprek met nabestaanden tot een betere registratie van onzekerheid.
Daarom zijn de volgende maatregelen het overwegen waard.
- Bied bij onverwachte overlijdens op jonge leeftijd standaard een gesprek over nader onderzoek aan: nabestaanden moeten weten welke mogelijkheden bestaan, wat onderzoek kan opleveren en welke beperkingen eraan verbonden zijn. De leeftijdsgrens van veertig jaar kan daarbij als voorstel worden onderzocht, maar moet niet zonder onderbouwing als de optimale grens worden beschouwd.
- Maak duidelijker wanneer toxicologisch onderzoek nodig is: er moeten heldere criteria zijn voor situaties waarin het zinvol is om geneesmiddelen, drugs of andere stoffen te onderzoeken.
- Verbeter de registratie van onzekerheid: het moet duidelijk zijn wanneer een doodsoorzaak overtuigend is vastgesteld en wanneer de conclusie vooral berust op de beschikbare omstandigheden en medische voorgeschiedenis.
- Onderzoek hoe vaak obducties tot nieuwe inzichten leiden: daarbij moet worden gekeken naar belangrijke verschillen tussen de oorspronkelijke diagnose en de bevindingen na overlijden.
- Zorg voor voldoende deskundigen en financiering: meer onderzoek vraagt om voldoende pathologen, forensisch artsen en laboratoriumcapaciteit.
- Evalueer de coronaperiode op basis van Nederlandse gegevens: onderzoek welke richtlijnen golden, hoeveel obducties werden uitgevoerd en welke medische kennis daaruit voortkwam.
- Onderzoek de mogelijkheden voor medisch onderzoek buiten strafzaken: wanneer een overlijden niet verdacht is, maar de doodsoorzaak toch vragen oproept, moet duidelijk zijn welke mogelijkheden bestaan om die vragen te beantwoorden.
- Neem de gevolgen van nieuwe uitvaartmethoden mee in de wetgeving: er moeten duidelijke waarborgen zijn om te voorkomen dat noodzakelijke onderzoeken onmogelijk worden doordat een lichaam al is begraven, gecremeerd of op een andere manier behandeld.
Deze voorstellen zijn geen bewijs dat het huidige systeem in alle gevallen tekortschiet. Ze zijn een manier om te onderzoeken waar verbeteringen mogelijk zijn en hoe die het beste kunnen worden ingevoerd.
De belangrijkste vraag: wat weten we niet?
Niet weten is geen bewijs dat een bepaalde oorzaak aanwezig was, maar het mag ook geen reden zijn om de vraag nooit meer te stellen.
Het interview stelt een vraag die verder gaat dan de discussie over het aantal obducties. Hoe weten we of ons systeem goed genoeg werkt als we niet systematisch meten wat aanvullend onderzoek oplevert?
Als we willen weten of er diagnoses worden gemist, moeten we gegevens verzamelen over de oorspronkelijke beoordeling en de bevindingen na aanvullend onderzoek. Als we willen weten of toxicologische oorzaken over het hoofd worden gezien, moeten we inzicht hebben in wanneer toxicologisch onderzoek wordt aangevraagd en wat het oplevert.
Als we willen weten of de registratie van oversterfte voldoende betrouwbaar is, moeten we de beschikbare doodsoorzaken en de onzekerheden daarin onderzoeken. En als we willen weten of de coronaperiode voldoende is onderzocht, moeten we de Nederlandse praktijk vergelijken met de toen beschikbare richtlijnen en wetenschappelijke kennis. Dat zijn allemaal vragen waarop onderzoek mogelijk is.
Het is niet nodig om vooraf te veronderstellen dat er sprake is van opzet, bewuste nalatigheid of een verborgen oorzaak. Een gebrek aan gegevens is op zichzelf al een reden om te onderzoeken hoe de kennis kan worden verbeterd. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat onzekerheid automatisch wordt gebruikt als bewijs voor een specifieke verklaring.
Niet weten is niet hetzelfde als bewijzen dat een bepaalde oorzaak aanwezig was. Maar niet weten mag evenmin betekenen dat de vraag nooit meer wordt gesteld.
Conclusie: een overlijden verdient meer dan een aannemelijke verklaring
Wanneer er belangrijke vragen openblijven, verdient een overlijden meer dan een aannemelijke verklaring: niet om overal een misdrijf achter te zoeken, maar om te begrijpen waarom.
Patholoog Frank van de Goot houdt ons bij Lighthouse TV een ongemakkelijke vraag voor: doen we in Nederland voldoende om te begrijpen waaraan mensen overlijden?
Zijn kritiek op tunnelvisie is relevant. Onderzoek na overlijden kan waardevol zijn zonder dat er sprake is van een misdrijf. Het kan helpen om onontdekte aandoeningen, mogelijke vergiftigingen en andere medische oorzaken te herkennen. Ook zijn voorstel om nader onderzoek standaard aan te bieden bij onverwachte overlijdens op jonge leeftijd verdient serieuze bespreking.
Maar een kritische beoordeling vraagt om meer dan het overnemen van zijn uitspraken. Een laag aantal obducties bewijst niet automatisch dat veel doodsoorzaken verkeerd worden vastgesteld. De vragen over corona en oversterfte kunnen evenmin worden beantwoord door alleen te wijzen op ontbrekend onderzoek. Daarvoor zijn betrouwbare cijfers, duidelijke criteria en onafhankelijk onderzoek nodig.
De overheid, de medische beroepsgroepen en de betrokken onderzoeksinstellingen zouden daarom inzichtelijk moeten maken wanneer nader onderzoek wordt uitgevoerd, wat dat onderzoek oplevert en welke onzekerheden blijven bestaan. Dat vraagt om investeringen in deskundigheid, capaciteit en financiering. Het vraagt ook om betere informatie voor nabestaanden, zodat zij begrijpen welke mogelijkheden er zijn wanneer de doodsoorzaak vragen oproept.
De kern is niet dat ieder overlijden onderzocht moet worden. De kern is dat we voldoende moeten weten om te kunnen beoordelen wanneer nader onderzoek noodzakelijk is. Want wanneer iemand onverwacht overlijdt, is het niet genoeg om alleen vast te stellen dat het leven is geëindigd. Als er belangrijke vragen openblijven, moeten we ook de mogelijkheid hebben om te onderzoeken waarom.
Niet om overal een misdrijf achter te zoeken. Niet om zonder bewijs conclusies te trekken. Maar om medische kennis te verbeteren, nabestaanden duidelijkheid te geven en waar mogelijk te voorkomen dat anderen hetzelfde overkomt. Dat is geen overdreven eis. Het is een redelijke vraag aan een gezondheidszorg en een rechtssysteem die zorgvuldig willen omgaan met de doodsoorzaak.
Veelgestelde vragen
De vragen die nabestaanden en lezers het vaakst stellen over onderzoek naar de doodsoorzaak, met een eerlijk en nuchter antwoord.
Nee. Bij elk overlijden doet een arts een lijkschouw en beoordeelt hij of het om een natuurlijke dood gaat. Een volledige obductie door een patholoog gebeurt maar bij een klein deel van de overlijdens. Bij twijfel komt een forensisch arts, en bij een vermoeden van een misdrijf kan de officier van justitie nader onderzoek laten doen.
Bij een lijkschouw bekijkt een arts het lichaam van buiten en beoordeelt hij de omstandigheden en de medische voorgeschiedenis. Een obductie, ook sectie of autopsie genoemd, is een uitgebreid onderzoek waarbij organen, weefsels en lichaamsvloeistoffen worden onderzocht. Een klinische obductie beantwoordt medische vragen, een gerechtelijke sectie hoort bij een strafrechtelijk onderzoek.
Ja, bij een overlijden dat als natuurlijk is beoordeeld kan een klinische obductie in overleg met de nabestaanden worden overwogen. Bespreek dat met de behandelend arts of de huisarts. Die kan uitleggen welke vragen een obductie kan beantwoorden, wat de beperkingen zijn en hoe het onderzoek verloopt. Bij een gerechtelijke sectie beslist de officier van justitie.
Nee. Een niet-natuurlijke dood kan ook het gevolg zijn van een ongeval of zelfdoding. Het betekent niet automatisch dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd. Andersom is een natuurlijke dood geen garantie dat de precieze medische oorzaak met zekerheid is vastgesteld. De aard van het overlijden en de doodsoorzaak zijn twee verschillende zaken.
Nee. Het aantreffen van bijvoorbeeld cocaïne of een geneesmiddel bewijst op zichzelf niet dat die stof de dood heeft veroorzaakt. De betekenis hangt af van de concentratie, de omstandigheden, de medische voorgeschiedenis en andere aangetroffen stoffen. Omgekeerd betekent het ontbreken van toxicologisch onderzoek ook niet dat er sprake was van een vergiftiging.
Een onverwacht overlijden op jonge leeftijd kan wijzen op een onontdekte aandoening, zoals een erfelijke hartafwijking. Brengt onderzoek zo'n afwijking aan het licht, dan kunnen familieleden zich gericht laten onderzoeken. De patholoog uit het interview stelt voor om onder de veertig jaar standaard onderzoek aan te bieden, als aanbod en nooit als verplichting.
Nee. De richtlijnen van de WHO uit de coronaperiode waren geen algemeen verbod op autopsieën, maar beschreven hoe veilig met de risico's moest worden omgegaan, met beschermingsmiddelen en hygiënemaatregelen. Hoeveel obducties er in Nederland toen zijn gedaan en wat ze opleverden, vraagt om een evaluatie met Nederlandse gegevens. Het interview alleen bewijst geen bewuste nalatigheid.
Nee. Oversterfte is een statistische maat: er overlijden in een periode meer mensen dan op basis van een gekozen referentie wordt verwacht. Het cijfer zegt niet waarom. Mogelijke oorzaken zijn infectieziekten, hitte, veranderingen in de bevolking, bestaande aandoeningen en veranderingen in de zorg. Daarvoor zijn betrouwbare gegevens over geregistreerde doodsoorzaken nodig.
Het wetsvoorstel, dat naar de Raad van State is gestuurd, geeft de politie meer mogelijkheden om onderzoek te doen aan het lichaam en op de vindplaats. Een forensisch arts krijgt meer ruimte voor nader onderzoek als hij niet overtuigd is van een natuurlijke dood. Medisch onderzoek buiten strafzaken blijft daarmee nog een open vraag.
Bronnen
De feiten in dit artikel komen uit de volgende bronnen.
- Lighthouse TV: interview met klinisch en forensisch patholoog Frank van de Goot, de aanleiding voor dit artikel
- Rijksoverheid: nieuwsbericht over het wetsvoorstel bestemming lichamen overledenen naar de Raad van State
- GGD en FARR: factsheet lijkschouw, met cijfers uit het Registratienetwerk Forensische Geneeskunde
- WHO: richtlijnen voor de veilige omgang met overleden COVID-19-patiënten
- Rijksoverheid: regels over begraven, cremeren en resomeren
Redactionele verantwoording: dit artikel is gebaseerd op het interview bij Lighthouse TV en aangevuld met officiële informatie. Uitspraken van de geïnterviewde zijn als zodanig weergegeven wanneer ze niet onafhankelijk zijn bevestigd. De cijfers over onderzoek na overlijden moeten zorgvuldig worden onderscheiden naar type onderzoek en mogen niet zonder meer worden gebruikt om conclusies te trekken over de betrouwbaarheid van alle geregistreerde doodsoorzaken.
Onverwacht een dierbare verloren en vragen over de doodsoorzaak?
RouwUitvaart.nl is een landelijk informatie- en verwijsplatform. De uitvaart zelf wordt verzorgd door een uitvaartverzorger bij u in de buurt, via onze vaste uitvaartpartner. Belt u ons, dan wordt u automatisch doorverbonden met het team van onze vaste uitvaartpartner, dat uw vragen beantwoordt en, als u dat wilt, de uitvaart in gang zet bij een uitvaartverzorger bij u in de buurt.
Niet om overal een misdrijf achter te zoeken, maar om medische kennis te verbeteren, nabestaanden duidelijkheid te geven en waar mogelijk te voorkomen dat anderen hetzelfde overkomt.
Team RouwUitvaart.nl










